Skip to content Skip to sidebar Skip to footer

IV. Luther op weg naar de Rijksdag in Worms

 

Op dinsdag 2 april 1521, daags na de Paasdagen, begon Luther aan zijn reis naar Worms. De voorbereiding was uitstekend verlopen. Onder leiding van de Reichsherold  (d.w.z. de keizerlijke heraut) Kaspar Sturm begon de tocht naar Worms. De keizerlijke dienaar was er in zekere zin het bewijs van dat de keizer aan Luther de belofte van een vrije reis had gedaan, de gewenste vrijgeleide. Daar zat geen list achter. Luther werd niet in de val gelokt. Maar zou de vrijgeleide ook nog van kracht blijven als Luther onwelgevallige uitspraken deed? Je wist maar nooit. Jan Hus had in 1415 ook een vrijgeleide … Maar toch, ze gingen, de Wittenbergers.

Een klein gezelschap zat in de rolwagen die door de Wittenberger goudsmid Christian Döring beschikbaar was gesteld; een koets met een beschermend dak – het was wellicht het meest luxe vervoermiddel van Wittenberg. In het rijtuig bevonden zich naast Luther z’n vriend en ambtgenoot Nicolaas von Amsdorf, zijn ordebroeder Johan Petzensteiner en zijn leerling Peter Swaven.

De route naar Worms was nauwkeurig uitgestippeld. Men nam zo weinig mogelijk risico’s: gebieden waar een rooms-katholieke vorst regeerde werden gemeden.

Het eerste traject van de reis liep via de volgende steden: Leipzig, Naumburg en Weimar; hier ontving Luther een geldbedrag van hertog Johan van Saksen, de broer van de keurvorst – bedoeld als vergoeding voor de reis- en verblijfkosten, die voor eigen rekening kwamen. Hier kreeg Luther ook het document van de keizer onder ogen dat feitelijk al zijn veroordeling inhield. Luther was zeer geïrriteerd. Kaspar Sturm vroeg hem of hij nog wel verder wilde nu de zaken er zo voor stonden. Maar de hervormer gaf met enige vrees te kennen dat hij verder wilde. Hij rekende op Gods bescherming!

Verder reisde men door naar Erfurt, waar zich de jurist Justus Jonas nog bij het reisgezelschap  voegde, al reed hij het hele traject zelf op zijn paard. Nog voor de poorten van Erfurt werd het gezelschap van Luther op 6 april opgewacht door bereden brigade van 40 ruiters die hem in triomf begeleidde naar zijn logies. In deze voor Luther zo bekende stad preekte hij de volgende dag, zondag 7 april, in de overvolle Augustijnenkerk waar de galerijen het dreigden te begeven.

De dagen daarna werd de reis naar Worms in al meer plaatsen een ware triomftocht: Luther werd door de lokale autoriteiten vaak met groot respect ontvangen. Maar ook vonden er nog heftige debatten plaats met leiders van de oude kerk. Het gezelschap reisde verder en – zonder alle plaatsen te noemen – kwam men te Oppenheim, de geboorteplaats van Kaspar Sturm. Daar stond de geestdriftige edelman Ulrich von Hutten met 20 ridders klaar om Luther, over wie Hutten zich veel zorgen maakte, een veilige reis te garanderen naar Worms. Eigenlijk wilde de edelman liever dat de hervormer zich terugtrok op diens kasteel en zich niet in de gevarenzone begaf. Luther reisde toch door naar Worms. Bij zijn vertrek uit Oppenheim bracht een ijlbode uit Wittenberg nog een brief naar Luther van Spalatinus, de hofkapelaan van Frederik III. Daarin werd hem ten sterkste ontraden naar het gevaarlijke Worms te gaan. Hij zou er niet levend vandaan komen! Luthers reactie: “Al waren er te Worms ook zoveel duivels als pannen op de daken, ik wil er toch heen!”

 

Zo reed het Wittenbergse gezelschap in versterkte formatie verder naar Worms; daar kwam men aan op dinsdag 16 april. Trompetters gaven vanaf de Domtoren het signaal dat Luther Worms binnenreed. Een Saksische riddergroep begeleidde het gezelschap bij de intocht in de stad. Volgens oude verhalen waren zo’n 2000 mensen de straat opgegaan om de monnik uit Wittenberg te zien. Reichsherold Sturm kreeg van de roomse adviseurs van de keizer te horen dat hij schuldig was aan zoveel beroering in de stad en ook aan de ‘zegetocht’ die Luther tot nu toe had gemaakt. In zijn logement aangekomen kreeg Luther direct veel aanloop. Een van de eersten was de jonge landgraaf Philips van Hessen die veel plannen had om in zijn vorstendom de Reformatie door te voeren.

Ook kreeg Luther de boodschap van zogenaamde bemiddelaars dat het heel goed denkbaar was dat hij niet zou worden veroordeeld, als hij maar op enkele hoofdpunten erkende fout te zijn geweest. Dan zou al het andere op een later te houden concilie aan de orde kunnen worden gesteld. Maar Luther wilde niets weten van een concilie waar hij zo nodig in beroep kon gaan. Concilies stonden erom bekend dat ze dwaalden en geen juiste uitspraken in geloofszaken konden voortbrengen. Hier bleek al iets van wat Luther op de rijksdag zelf zou antwoorden op de vraag naar herroeping van zijn leer. Van iets als een compromis kwam niets terecht.