Skip to content Skip to sidebar Skip to footer

Op de derde dag van het Nieuwjaar 1521 sprak paus Leo X de excommunicatie uit over Martin Luther, hoogleraar te Wittenberg. Deze bul begon met de woorden: ‘Het behaagt de paus van Rome’. Daarmee begonnen de woorden van de definitieve ban over Luther. Want hij had zich niets aangetrokken van het eerste pauselijke vermaan in de banbul Exsurge Domine (= Sta op Heer) van 15 juni 1520. Ruim een half jaar riep de paus de hele rooms-katholieke wereldkerk op zich te keren tegen de ketter Luther en zijn medestanders. Ook werd de jonge Duitse keizer Karel V (* 1500) van deze excommunicatie in kennis gesteld. Karel kreeg de zware taak om te oordelen over deze als ketter aangemerkte theoloog. Maar in de betrekkingen tussen keizer en paus spande het nogal. Dus was het oordeel van de keizer geen ‘gelopen race’. De paus wachtte echter niet af, maar bewerkte het keizerlijke hof met boodschappen over de negatieve effecten van het optreden van Luther. De keizer kon er niet onderuit om deze ergernis uit te bannen.

Rijksdag te Worms

Nu was Karel V al van plan om in 1521 te Worms zijn eerste Rijksdag te houden als keizer van Duitsland. Met alle vorsten van het Duitse rijk zou er gesproken worden over een groot aantal zaken van staat en kerk. Er waren politieke vijanden genoeg: in het westen Frankrijk, in het oosten de Turkse sultan. Het kon oorlog worden. Wie zou de eerste aanval uitvoeren? En als de tweede er direct op zou volgen, zat Duitsland dan klem? Het rijk stond op spanning.

De volle agenda van de Rijksdag van Worms werd nu aangevuld met de ‘Causa Lutheri’, d.w.z. de zaak-Luther. Daarvoor trok de rijksdag maar een paar uren uit. De door Luther gewenste vrijgeleide werd hem geschonken, 21 dagen lang.

De opening van de Rijksdag van Worms vond plaats op 28 januari 1521. Luthers zaak zou in april aan de orde komen.

 

Deelnemers aan de rijksdag

Tot de officiële deelnemers aan de rijksdag behoorde keurvorst Frederik III van het hertogdom Saksen, met de hoofdstad Wittenberg (aan de Elbe). Frederik was de eerst verantwoordelijke voor het welzijn van zijn onderdaan Martin Luther. En hoewel deze vorst nog altijd rooms-katholiek was – en een enorme collectie relikwieën bezat – stond hij pal achter zijn professor die werkte aan ‘zijn’ in 1502 gestichte universiteit in Wittenberg. Frederik III was een belangrijk vorst: hij was in 1519 een van de kandidaten om de overleden keizer Maximiliaan van Habsburg op te volgen. Dat is niet doorgegaan, maar in Duitsland had men wel danig rekening te houden met Frederik III die ook nog keurvorst was. De meerderheid van de zeven keurvorsten had uiteindelijk gekozen voor de kleinzoon van Maximiliaan – de in 1500 te Gent geboren Karel V, koning van Spanje en Heer van de meeste Nederlandse gewesten. Op de rijksdag waren ook 30 bisschoppen, 11 markgraven en 28 hertogen aanwezig, kortom de politieke top van het Duitse rijk. Onder hen nam het aantal bewonderaars van Luther steeds meer toe. Kreeg Luther van hen de nodige ruimte om actief te zijn in hun landstreken? En zou de keizer ook welwillend zijn? Hij had één groot nadeel: hij sprak geen Duits, alleen maar Spaans.